Deel 1: Het moeilijkste stuk

Tekst: | Datum:

‘There is nothing more common in this world than unsuccessful people with talent, leave the house before you find something worth staying in for.’

De zwaarste strijd die je ‘s winters moet leveren is niet tegen de weersomstandigheden waar je sowieso mee te maken krijgt. En ook niet tegen die verdomde eenzaamheid, echt niet. Het zwaarste gevecht dat je gedurende die donkere maanden elke morgen weer moet aangaan, is het gevecht met jezelf.

Ik herinner me nog dat ik heel vroeg wakker werd als jonge man in de koude Toscaanse winter. Ik werd gewekt door het geluid van de zaagmachine van de slagerij beneden. Het gezaag en dan het gebonk van de karkassen die kleingezaagd werden. In die tijd was ik altijd meteen klaarwakker. Er was nog geen sprake van die mistige verwarring die me tegenwoordig elke morgen opwacht als het licht wordt.

Het eerste waar ik dan altijd moest denken was dat koude, levenloze vlees. Er was ‘s nachts geen verwarming, want ik zette mijn kleine elektrische kacheltje altijd uit voordat ik naar bed ging. De koude lucht zorgde voor een perfecte temperatuur onder de dekens: een warm nest in een ijzige wereld. ‘Ik zou beneden aan zo’n vleeshaak kunnen hangen als ik die dekens niet had’, dacht ik dan.

Soms was zij er ook. We hadden onze bedden dan wel tegen elkaar aangeschoven, maar zonder tweepersoonslakens erover. Toch voelde ze het als ik wakker werd en met haar ogen nog dicht vroeg ze dan: ‘dove vai?’

Ondanks dat ze wel beter wist, deed ze altijd alsof het nog midden in de nacht was. Ik wist nooit of ze nou wilde dat ik bleef of dat ze gewoon vond dat ze het moest vragen. En dan ging ik waar ik elke dag naartoe ging, naar buiten de kou in, de natte klinkers van de straat op, waar de stad ontwaakte.

‘Waarom ga je weg?’, vroeg ze dan, half slapend.

‘Omdat ik moet’

‘Si, maar niks moet…’

Dan dacht ik aan wat me buiten te wachten stond. De bevroren heuveltoppen, de gladde afdalingen; het water op de weg dat zich langs mijn kuiten omhoog zou werken en mijn enkels tot op het bot zou verkleumen. En aan de espresso die ik in het café aan de andere kant van de Monte Santa Maria Tiberina zou drinken. Dan dacht ik aan de blik van de serveerster, als ze de vieze poeltjes water zou opmerken die door mij op de terracotta tegelvloer werden achtergelaten.

En dan dacht ik ook aan de stenen vloer van ons eigen appartement. Aan hoe de kou dwars door me heen zou trekken zodra ik mijn voeten uit bed op de grond zou zetten.

Dan was ik me ervan bewust dat deze scene − het gedempte licht, de warmte van onze lichamen, de belofte van ons gezamenlijk ontwaken − bij thuiskomst verdwenen zou zijn. Als ik nou eens zou blijven, dacht ik, dan konden we in de kou van de kamer genieten van de warmte van ons bed, terwijl we luisterden naar de gedempte stemmen op straat. Als ik nou eens zou blijven, dacht ik, dan konden we uitslapen. Samen ontbijten bij Stefano’s café aan de overkant. Koffie verkeerd bestellen en croissants. En dan zou ze me uitlachen omdat ik graag stevig ontbijt en ik zou zeggen dat Italianen gestoord zijn omdat ze alleen met een paar koekjes ontbijten. Samen de slagerij bekijken; de mensen die in- en uitlopen, in het felle licht dat in de natte klinkers reflecteert.

Er waren duizenden dingen te bedenken, allemaal dingen die ik op dat moment liever zou doen dan op een barre winterdag op mijn fiets klimmen. Die dingen waren er altijd, zijn er altijd.

De mogelijkheid om niet te gaan, speelde altijd door mijn hoofd. Het was als spijbelen, hield ik mezelf voor. De winter was toch lang en wie zou het nou merken?

Maar ik zou het merken, wist ik. Ik zou me steeds bewust zijn van alles wat ik at en hoeveel ik aan zou komen. Ik zou op een gegeven moment omhoog kijken en denken: ‘het wordt al droog’. Ik zou andere fietsers zien rijden, naar hun werk of naar de stad en ik zou denken: ‘als zij er tegen kunnen…’

En dan zou de middag aanbreken en ik zou langzaam sterven. Zij zou weggaan en ik zou daar zitten met het gevoel dat ik had moeten fietsen, dat ik had kunnen fietsen, maar niet was gegaan. Ik zou me indenken hoe mijn tegenstanders thuiskwamen; verkleumd waarschijnlijk, uitgeput misschien, maar wel voldaan. Enorm voldaan, in tegenstelling tot mijzelf. Ik zou eraan toegegeven hebben, het gevecht verloren hebben. En ik zou spijt hebben.

Natuurlijk had ik een keuze, maar ik hield mezelf voor dat dat niet zo was. Ik overtuigde mezelf van het feit dat er ‘s winters geen comfort bestond tussen het moment van ontwaken en het moment dat ik terugkwam van mijn rit.

Hoe verrukkelijk de warmte van mijn bed na een nacht lekker slapen ook aanvoelde, het haalde het niet bij het gevoel van thuiskomen na een dag trainen in de regen. De geur van de eerste houtblokken sissend in de haard en de smaak van de hete thee waar ik mezelf aan opwarmde terwijl ik wachtte tot de boiler in de badkamer op temperatuur was. Zoals een oude Belg die ik kende altijd met een lachje tegen me zei als het echt vreselijk weer was en de regen met bakken uit de hemel kwam: ‘onder de douche is het lekker.’

Ik zei het elke dag tegen mezelf als ik wakker werd van het geluid van de slagerij en twijfel mij influisterde dat ik er niet uit hoefde, niet hoefde te fietsen, dat ik moest gaan. Niet gaan was geen optie, ongeacht het weer en ongeacht hoe zwaar het zou worden.

Buiten was het zwaar. De winter is als de waarheid: hard. Maar een wielrenner vindt geen warmte onder zijn dekens als hij zijn hoofd van de winterdag afwendt. Hij vindt het slechts in het moment dat hij weer thuiskomt en de ontberingen van de winter overwonnen achter zich kan laten. Alleen daar vind je warmte, alleen daar vind je comfort.

Deel dit